“Investeer in mensen, niet alleen in teams, Jan ten Caat over het aantrekkelijk maken van jeugdtrainerschap
De stelling dat clubs het voor spelers of oud-spelers van de eerste selectie aantrekkelijk moeten maken om een jeugdteam te trainen, leidde tot een boeiend en openhartig gesprek met Jan ten Caat. Een man die zijn sporen in het amateurvoetbal ruimschoots heeft verdiend en de problematiek rondom jeugdtrainers van dichtbij kent. Jan is het in grote lijnen eens met de stelling, maar plaatst die meteen in een breder perspectief.

„Ik ben het wel eens met de stelling,” begint hij, „maar ik zou het graag breder trekken. Het moet voor álle leden binnen een club aantrekkelijk gemaakt worden om actief te zijn als jeugdtrainer. Daar is geld voor nodig, creativiteit, maar vooral ook goede antennes.”
Volgens Jan ligt de sleutel niet alleen bij het benaderen van (oud-)eerste elftalspelers, maar bij het herkennen en benutten van potentieel binnen de hele vereniging. „Er zijn bij veel verenigingen genoeg mensen die wel een jeugdteam willen trainen en dat ook kunnen. Alleen wordt er vaak gewacht tot die mensen zichzelf melden. Maar zo werkt dat niet. Als club moet je zélf in actie komen.”
Hij spreekt uit ervaring. „Ik heb als Hoofd Jeugdopleiding bij geen enkele club waar ik gewerkt heb een tekort gehad aan jeugdtrainers. Dat kwam doordat ik mijn antennes goed had afgesteld en vervolgens ook in actie kwam.”
Die aanpak leverde in het verleden samenwerkingen op met namen die inmiddels stevig verankerd zijn in het Groningse amateurvoetbal. „Denk aan Marco Sanders, Robbie Wentink, Bas Groeneveld en Jelmer Meinardi. Die begonnen toen net als jeugdtrainer en dat zijn nu bepaald niet de minste namen.”
Hij ziet het ook als een voorbeeld voor andere verenigingen. „Er zijn genoeg clubs die hier een voorbeeld aan kunnen nemen, maar laten we die maar niet bij naam noemen. “ Dat het probleem van een tekort aan capabele jeugdtrainers niet alleen bij kleinere verenigingen speelt, staat voor hem buiten kijf. „Het is een breed probleem. Juist daarom moet je als club structureel nadenken over hoe je mensen bindt en boeit.”
Dat beeld staat volgens hem in schril contrast met andere plaatsen. „Elders zie je dat spelers vanuit een dorp nu in de stad of ergens anders in de provincie bij een vijfdeklasser spelen. Dan doe je denk ik iets niet goed, want spelers gaan niet weg als ze het ergens écht naar hun zin hebben.”

„Ik ben het wel eens met de stelling,” begint hij, „maar ik zou het graag breder trekken. Het moet voor álle leden binnen een club aantrekkelijk gemaakt worden om actief te zijn als jeugdtrainer. Daar is geld voor nodig, creativiteit, maar vooral ook goede antennes.”
Volgens Jan ligt de sleutel niet alleen bij het benaderen van (oud-)eerste elftalspelers, maar bij het herkennen en benutten van potentieel binnen de hele vereniging. „Er zijn bij veel verenigingen genoeg mensen die wel een jeugdteam willen trainen en dat ook kunnen. Alleen wordt er vaak gewacht tot die mensen zichzelf melden. Maar zo werkt dat niet. Als club moet je zélf in actie komen.”
Voorbeeldfunctie van Gorecht
Als concreet voorbeeld noemt hij zijn tijd bij Gorecht. „Toen ik daar actief was, kregen oudere jeugdspelers per training die ze aan een jeugdteam gaven een mooie vergoeding. Ze verdienden daarmee meer dan in een supermarkt, maar belangrijker nog: ze werden goed begeleid. Dat maakt het aantrekkelijk en leerzaam. Daarnaast werd er bij Gorecht creatief omgegaan met de inzet van senioren. Daar adopteerde een seniorenteam een jeugdteam. Per toerbeurt verzorgden twee spelers van dat team een training. Dat zorgt voor binding, betrokkenheid en herkenbaarheid voor die jeugdspelers.” Volgens de Bedumer zijn dit geen ingewikkelde maatregelen, maar wel maatregelen die visie en durf vereisen. „Je moet als club bereid zijn te investeren. Niet alleen financieel, maar ook organisatorisch.”Persoonlijke benadering is cruciaal
Wat Jan vooral benadrukt, is het belang van persoonlijke benadering. „Mensen moet je niet benaderen via een algemeen bericht of een oproep op de website. Even met iemand praten, een kop koffie, interesse tonen, dat is de juiste manier.”Hij spreekt uit ervaring. „Ik heb als Hoofd Jeugdopleiding bij geen enkele club waar ik gewerkt heb een tekort gehad aan jeugdtrainers. Dat kwam doordat ik mijn antennes goed had afgesteld en vervolgens ook in actie kwam.”
Die aanpak leverde in het verleden samenwerkingen op met namen die inmiddels stevig verankerd zijn in het Groningse amateurvoetbal. „Denk aan Marco Sanders, Robbie Wentink, Bas Groeneveld en Jelmer Meinardi. Die begonnen toen net als jeugdtrainer en dat zijn nu bepaald niet de minste namen.”
Complimenten voor SC Loppersum
In ons gesprek komt ook SC Loppersum ter sprake. Opvallend is dat ik op de website van die club zag dat daar vrijwel uitsluitend spelers of oud-spelers van de eerste selectie als jeugdtrainer actief zijn. „Ik ken de situatie bij Loppersum niet tot in detail,” nuanceert Jab mijn opmerking, „maar zoals jij het vertelt: complimenten voor Loppersum.”Hij ziet het ook als een voorbeeld voor andere verenigingen. „Er zijn genoeg clubs die hier een voorbeeld aan kunnen nemen, maar laten we die maar niet bij naam noemen. “ Dat het probleem van een tekort aan capabele jeugdtrainers niet alleen bij kleinere verenigingen speelt, staat voor hem buiten kijf. „Het is een breed probleem. Juist daarom moet je als club structureel nadenken over hoe je mensen bindt en boeit.”
Investeren in je club
Jan is het daarom ook eens met mijn constatering dat Loppersum het op dit vlak goed voor elkaar heeft. „Dat noemen ze investeren in je club. En dat betaalt zich altijd terug, misschien niet meteen in punten, maar wel in continuïteit.” Hij ziet ook een duidelijke relatie tussen goed jeugdbeleid en het behouden van spelers. „Wat je daar bijvoorbeeld niet ziet, is dat spelers massaal naar andere verenigingen vertrekken.”Dat beeld staat volgens hem in schril contrast met andere plaatsen. „Elders zie je dat spelers vanuit een dorp nu in de stad of ergens anders in de provincie bij een vijfdeklasser spelen. Dan doe je denk ik iets niet goed, want spelers gaan niet weg als ze het ergens écht naar hun zin hebben.”