Samenwerken of verdwijnen: een wake-upcall voor het jeugdvoetbal in De Marne
Op Puurvoetbalonline stelde Jan ten Caat liep meer dan veertig jaar rond binnen het amateurvoetbal, dat samenwerking tussen verenigingen cruciaal is om het amateurvoetbal, en met name het jeugdvoetbal, toekomstbestendig te houden. Een uitspraak die bij mij bleef hangen. Niet omdat het een nieuwe gedachte is, maar juist omdat hij zo pijnlijk herkenbaar is. Zeker wanneer je die uitspraak eens legt naast de actuele situatie in bijvoorbeeld de voormalige gemeente De Marne, de regio waar ik ben opgegroeid en mijn voetbalhart nog altijd ligt.

Uit nieuwsgierigheid, en eerlijk gezegd ook uit lichte zorg ,ben ik eens gaan kijken hoeveel jeugdteams er op dit moment actief zijn bij de verenigingen in dit gebied. Wat ik aantrof vond ik bijzonder. Niet omdat er veel teams maar juist omdat het er zo weinig zijn. In totaal slechts 23 jeugdteams, verdeeld over vijf verenigingen. En wanneer je dat uitsplitst per club, wordt het beeld nog confronterender.
Een overzicht :
Zeester heeft jeugdteams in de categorieën JO17, JO13, JO12, JO10, JO9 en JO7.
SJO De Marne( Kloosterburen,VVSV’09, FC LEO) komt tot een JO17, JO15, MO15, JO14, JO13, JO11, JO9 en JO8.
Eenrum beschikt over een MO20, JO19, JO15, MO15, JO13, JO11, JO10, JO8 en JO7.
Wie deze lijst rustig bekijkt, ziet direct het probleem: geen enkele vereniging is in staat om in alle leeftijdscategorieën een team op de been te brengen. Lichtingen die verdwijnen. Kinderen die noodgedwongen stoppen of uitwijken naar andere dorpen, soms zelfs naar andere sporten of in een qua leeftijd ‘verkeerd’ team moeten voetballen.
Dat is geen toeval en ook geen incident. Er zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. De eerste twee zijn bekend en worden vaak genoemd: teruglopende inwonersaantallen in de dorprn op Het Hogeland en een afnemende interesse in de voetbalsport onder jongeren. Zeker in krimpregio’s zijn dit harde realiteiten waar verenigingen weinig directe invloed op hebben.
Maar er is een derde oorzaak die minstens zo belangrijk is, en waar we het minder vaak over hebben: het groeiende gebrek aan goed opgeleide trainers. Trainers die méér doen dan alleen een ‘traininkje’ geven. Trainers die kinderen beter maken, enthousiasmeren, begeleiden en binden aan de club. Trainers die begrijpen dat jeugdvoetbal geen verkleinde versie van seniorenvoetbal is, maar een vak op zich.
Er zijn verenigingen die werken met opleidingsprogramma’s, beleidsplannen of online platforms. Dat is waardevol en misschien wel een noodzakelijke toevoeging. Maar voetbal leer je uiteindelijk op het veld. In de praktijk. Door goede uitleg, herhaling, plezier en persoonlijke aandacht. Dat ‘veldwerk’ vraagt tijd, kennis en betrokkenheid. En juist daar wringt het steeds vaker.
En precies daarom moest ik opnieuw denken aan de woorden van Jan. Want als individuele verenigingen het niet alleen kunnen, en de realiteit laat zien dat dat steeds vaker het geval is, waarom zouden we dan blijven doen alsof dat wel zo is?
Clubs in bijvoorbeeld de voormalige gemeente De Marne: sla de handen ineen. Niet uit zwakte, maar uit kracht. Denk serieus na over samenwerking op jeugdgebied. Denk eens na over één gezamenlijke Hoofd Jeugdopleiding (HJO) voor meerdere verenigingen. Iemand die de grote lijn bewaakt, trainers begeleidt, opleidingsstructuren neerzet en zorgt voor continuïteit, ongeacht clubkleuren.
De voordelen liggen voor het oprapen. De kosten van een goed opgeleide HJO deel je met elkaar, waardoor het financieel haalbaar wordt. Trainers krijgen begeleiding en worden beter in hun rol, wat direct terug te zien is op het veld. Jeugdspelers krijgen kwalitatief betere trainingen en blijven langer behouden voor het voetbal en club. En misschien wel het belangrijkste: verenigingen versterken elkaar in plaats van dat ze elkaar leegvissen.
Natuurlijk vraagt dit om durf. Om het loslaten van ‘we doen het al zolang zo’ . Durf over clubgrenzen heen te kijken en het grotere belang voorop te zetten. Want laten we eerlijk zijn: vasthouden aan ‘eigenheid’ heeft weinig waarde als er over tien jaar geen jeugdteams meer zijn om die eigenheid aan door te geven.
Dit is geen pleidooi voor fusies of het opheffen van verenigingen. Het is een oproep tot vooruitdenken. Tot verantwoordelijkheid durven nemen voor de volgende generatie voetballers in een mooie regio. Want jeugdvoetbal is de basis van elke vereniging. Zonder jeugd geen toekomst. Zo simpel is het. De cijfers liegen niet. De signalen zijn duidelijk. De vraag is niet óf er iets moet gebeuren, maar wanneer. En vooral: wie durft het voortouw te nemen? Samenwerken is geen bedreiging. Het is misschien wel de enige reddingsboei die het jeugdvoetbal in De Marne nog heeft. En daarom is dit misschien voor veel clubs wel een goed voornemen voor 2026: Samenwerken zodat je je jeugd wat kan bieden

Uit nieuwsgierigheid, en eerlijk gezegd ook uit lichte zorg ,ben ik eens gaan kijken hoeveel jeugdteams er op dit moment actief zijn bij de verenigingen in dit gebied. Wat ik aantrof vond ik bijzonder. Niet omdat er veel teams maar juist omdat het er zo weinig zijn. In totaal slechts 23 jeugdteams, verdeeld over vijf verenigingen. En wanneer je dat uitsplitst per club, wordt het beeld nog confronterender.
Een overzicht :
Zeester heeft jeugdteams in de categorieën JO17, JO13, JO12, JO10, JO9 en JO7.
SJO De Marne( Kloosterburen,VVSV’09, FC LEO) komt tot een JO17, JO15, MO15, JO14, JO13, JO11, JO9 en JO8.
Eenrum beschikt over een MO20, JO19, JO15, MO15, JO13, JO11, JO10, JO8 en JO7.
Wie deze lijst rustig bekijkt, ziet direct het probleem: geen enkele vereniging is in staat om in alle leeftijdscategorieën een team op de been te brengen. Lichtingen die verdwijnen. Kinderen die noodgedwongen stoppen of uitwijken naar andere dorpen, soms zelfs naar andere sporten of in een qua leeftijd ‘verkeerd’ team moeten voetballen.
Dat is geen toeval en ook geen incident. Er zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. De eerste twee zijn bekend en worden vaak genoemd: teruglopende inwonersaantallen in de dorprn op Het Hogeland en een afnemende interesse in de voetbalsport onder jongeren. Zeker in krimpregio’s zijn dit harde realiteiten waar verenigingen weinig directe invloed op hebben.
Maar er is een derde oorzaak die minstens zo belangrijk is, en waar we het minder vaak over hebben: het groeiende gebrek aan goed opgeleide trainers. Trainers die méér doen dan alleen een ‘traininkje’ geven. Trainers die kinderen beter maken, enthousiasmeren, begeleiden en binden aan de club. Trainers die begrijpen dat jeugdvoetbal geen verkleinde versie van seniorenvoetbal is, maar een vak op zich.
Er zijn verenigingen die werken met opleidingsprogramma’s, beleidsplannen of online platforms. Dat is waardevol en misschien wel een noodzakelijke toevoeging. Maar voetbal leer je uiteindelijk op het veld. In de praktijk. Door goede uitleg, herhaling, plezier en persoonlijke aandacht. Dat ‘veldwerk’ vraagt tijd, kennis en betrokkenheid. En juist daar wringt het steeds vaker.
En precies daarom moest ik opnieuw denken aan de woorden van Jan. Want als individuele verenigingen het niet alleen kunnen, en de realiteit laat zien dat dat steeds vaker het geval is, waarom zouden we dan blijven doen alsof dat wel zo is?
Clubs in bijvoorbeeld de voormalige gemeente De Marne: sla de handen ineen. Niet uit zwakte, maar uit kracht. Denk serieus na over samenwerking op jeugdgebied. Denk eens na over één gezamenlijke Hoofd Jeugdopleiding (HJO) voor meerdere verenigingen. Iemand die de grote lijn bewaakt, trainers begeleidt, opleidingsstructuren neerzet en zorgt voor continuïteit, ongeacht clubkleuren.
De voordelen liggen voor het oprapen. De kosten van een goed opgeleide HJO deel je met elkaar, waardoor het financieel haalbaar wordt. Trainers krijgen begeleiding en worden beter in hun rol, wat direct terug te zien is op het veld. Jeugdspelers krijgen kwalitatief betere trainingen en blijven langer behouden voor het voetbal en club. En misschien wel het belangrijkste: verenigingen versterken elkaar in plaats van dat ze elkaar leegvissen.
Natuurlijk vraagt dit om durf. Om het loslaten van ‘we doen het al zolang zo’ . Durf over clubgrenzen heen te kijken en het grotere belang voorop te zetten. Want laten we eerlijk zijn: vasthouden aan ‘eigenheid’ heeft weinig waarde als er over tien jaar geen jeugdteams meer zijn om die eigenheid aan door te geven.
Dit is geen pleidooi voor fusies of het opheffen van verenigingen. Het is een oproep tot vooruitdenken. Tot verantwoordelijkheid durven nemen voor de volgende generatie voetballers in een mooie regio. Want jeugdvoetbal is de basis van elke vereniging. Zonder jeugd geen toekomst. Zo simpel is het. De cijfers liegen niet. De signalen zijn duidelijk. De vraag is niet óf er iets moet gebeuren, maar wanneer. En vooral: wie durft het voortouw te nemen? Samenwerken is geen bedreiging. Het is misschien wel de enige reddingsboei die het jeugdvoetbal in De Marne nog heeft. En daarom is dit misschien voor veel clubs wel een goed voornemen voor 2026: Samenwerken zodat je je jeugd wat kan bieden