Gezond beleid met een biertje erbij: hoe consequent is de sportvereniging echt?
Er zijn stellingen, en er zijn stéllingen. En dan heb je nog de categorie: Jan-ten-Caat: Een stelling waar je even voor gaat zitten, je wenkbrauw optrekt en vervolgens denkt: ja, verdomd… hier zit wat in. Dit keer luidt zijn pareltje: clubs die een algeheel rookverbod op het sportpark instellen moeten consequent zijn en dit ook bij alcohol doen.

Laat ik het maar meteen zeggen: ik ben het hier niet 100%, maar 1000% mee eens. En dat heeft niets te maken met een persoonlijke voorkeur maar alles met dat heerlijke, typisch Nederlandse verschijnsel: selectieve verontwaardiging.
Want ja, roken is slecht. Dat weten we inmiddels wel. Daar hebben we geen postbus 51-spotje meer voor nodig. Maar alcohol? Dat is blijkbaar de gezellige oom op het familiefeest die weliswaar wat te luidruchtig wordt, maar “het hoort er gewoon bij”.
De slogan “drank maakt meer kapot dan je lief is” is niet bedacht door een stel zuurpruimen op een regenachtige dinsdagmiddag. Daar zit gewoon een kern van waarheid in. Alleen lijkt die waarheid ergens bij de ingang van de sportkantine keurig te worden ingeleverd, samen met het gezonde verstand.
Het argument dat vaak wordt gebruikt om rookverboden te rechtvaardigen is dat we de jeugd geen slecht voorbeeld willen geven. Prima, daar kan ik in meegaan. Niemand zit te wachten op een generatie pupillen die al rokend hun warming-up doen. Maar dezelfde jeugd loopt vervolgens langs een terras vol volwassenen die zich met bier in de hand luidkeels bemoeien met de scheidsrechter, de trainer en het leven in het algemeen.
Blijkbaar is dat dan weer wél pedagogisch verantwoord.
Afgelopen zaterdag, ergens op een sportpark waar de tijd lijkt stil te staan en de bitterballen altijd net iets te heet zijn, zag ik het in levende lijve gebeuren. Een toeschouwer stak een sigaret op. Nog voordat hij goed en wel had kunnen inhaleren, zag je de lichaamstaal van een andere toeschouwer veranderen. Blikken, gefronste wenkbrauwen, een subtiele hoofdschudding, het hele afkeuringsrepertoire werd uit de kast gehaald.
Twintig meter verderop stond echter iemand die zich met een biertje in de hand vocaal manifesteerde alsof hij zojuist was uitgeroepen tot dorpsomroeper van het jaar. Onzin brallen maar hé, gezelligheid kent geen tijd, en al helemaal geen promillagegrens. En daar zit nu precies de kern van het probleem.
We hebben met z’n allen besloten dat roken het kwaad is dat bestreden moet worden. Dat doen we met borden, regels en, niet te vergeten, de onvermijdelijke vrijwilliger die zichzelf heeft gepromoveerd tot handhaver. De ‘rookpolitie’, zeg maar.
Diezelfde vrijwilliger moet zich vervolgens een weg banen door een menigte bierdrinkende clubgenoten om zijn punt te maken waar je van denkt, welk punt.
Want laten we eerlijk zijn: het heeft allemaal bar weinig te maken met principes en alles met centen. De kantine is heilig. De tapinstallatie is het kloppend hart van de vereniging. Zonder bier geen omzet, zonder omzet geen nieuwe tenues, en zonder nieuwe tenues geen kampioensfoto’s voor in de kantine. Het is een cirkel waar je u tegen zegt. Sigaretten? Daar valt weinig aan te verdienen. Dus die kunnen we met een gerust hart verbannen naar de parkeerplaats of, nog beter, volledig van het terrein. Probleem opgelost, moreel punt gescoord.
Het resultaat is een bijzonder staaltje hypocrisie, waar menig politicus nog een puntje aan kan zuigen. Verenigingen die zichzelf graag profileren als maatschappelijk verantwoord en voorbeeldstellend, maar ondertussen geen enkel probleem hebben met een cultuur waarin alcoholgebruik eerder de norm dan de uitzondering is.
En begrijp me niet verkeerd: ik ben niet tegen een biertje op z’n tijd. Integendeel. De derde helft is binnen het amateurvoetbal een instituut waar je voorzichtig mee moet omgaan. Maar als je besluit om een rookverbod in te voeren vanuit het idee van gezondheid en voorbeeldgedrag, wees dan in ieder geval eerlijk genoeg om te erkennen dat je halverwege stopt. Of trek de lijn door. Maar dat laatste is natuurlijk vloeken in de kantine.
Stel je voor: een sportpark waar niet gerookt én niet gedronken wordt. De stilte. De focus op het spel. Het ontbreken van iemand die brallend “scheids, ben je blind of zo?!” roept. Het zou een compleet andere wereld zijn. Misschien zelfs een betere. Maar zeker ook een wereld waarin de kassa een stuk minder vrolijk rinkelt. En daar zit de echte pijn.
Dus blijven we hangen in dit halfslachtige beleid. Roken? Nee, dat doen we hier niet meer. Alcohol? Natuurlijk, neem er nog één. Of twee. Gezellig. Misschien moeten verenigingen gewoon eerlijk zijn en een bord bij de ingang hangen: “Welkom. Roken is hier verboden. Hypocrisie niet.” Dat zou pas verfrissend zijn.

Laat ik het maar meteen zeggen: ik ben het hier niet 100%, maar 1000% mee eens. En dat heeft niets te maken met een persoonlijke voorkeur maar alles met dat heerlijke, typisch Nederlandse verschijnsel: selectieve verontwaardiging.
Want ja, roken is slecht. Dat weten we inmiddels wel. Daar hebben we geen postbus 51-spotje meer voor nodig. Maar alcohol? Dat is blijkbaar de gezellige oom op het familiefeest die weliswaar wat te luidruchtig wordt, maar “het hoort er gewoon bij”.
De slogan “drank maakt meer kapot dan je lief is” is niet bedacht door een stel zuurpruimen op een regenachtige dinsdagmiddag. Daar zit gewoon een kern van waarheid in. Alleen lijkt die waarheid ergens bij de ingang van de sportkantine keurig te worden ingeleverd, samen met het gezonde verstand.
Het argument dat vaak wordt gebruikt om rookverboden te rechtvaardigen is dat we de jeugd geen slecht voorbeeld willen geven. Prima, daar kan ik in meegaan. Niemand zit te wachten op een generatie pupillen die al rokend hun warming-up doen. Maar dezelfde jeugd loopt vervolgens langs een terras vol volwassenen die zich met bier in de hand luidkeels bemoeien met de scheidsrechter, de trainer en het leven in het algemeen.
Blijkbaar is dat dan weer wél pedagogisch verantwoord.
Afgelopen zaterdag, ergens op een sportpark waar de tijd lijkt stil te staan en de bitterballen altijd net iets te heet zijn, zag ik het in levende lijve gebeuren. Een toeschouwer stak een sigaret op. Nog voordat hij goed en wel had kunnen inhaleren, zag je de lichaamstaal van een andere toeschouwer veranderen. Blikken, gefronste wenkbrauwen, een subtiele hoofdschudding, het hele afkeuringsrepertoire werd uit de kast gehaald.
Twintig meter verderop stond echter iemand die zich met een biertje in de hand vocaal manifesteerde alsof hij zojuist was uitgeroepen tot dorpsomroeper van het jaar. Onzin brallen maar hé, gezelligheid kent geen tijd, en al helemaal geen promillagegrens. En daar zit nu precies de kern van het probleem.
We hebben met z’n allen besloten dat roken het kwaad is dat bestreden moet worden. Dat doen we met borden, regels en, niet te vergeten, de onvermijdelijke vrijwilliger die zichzelf heeft gepromoveerd tot handhaver. De ‘rookpolitie’, zeg maar.
Diezelfde vrijwilliger moet zich vervolgens een weg banen door een menigte bierdrinkende clubgenoten om zijn punt te maken waar je van denkt, welk punt.
Want laten we eerlijk zijn: het heeft allemaal bar weinig te maken met principes en alles met centen. De kantine is heilig. De tapinstallatie is het kloppend hart van de vereniging. Zonder bier geen omzet, zonder omzet geen nieuwe tenues, en zonder nieuwe tenues geen kampioensfoto’s voor in de kantine. Het is een cirkel waar je u tegen zegt. Sigaretten? Daar valt weinig aan te verdienen. Dus die kunnen we met een gerust hart verbannen naar de parkeerplaats of, nog beter, volledig van het terrein. Probleem opgelost, moreel punt gescoord.
Het resultaat is een bijzonder staaltje hypocrisie, waar menig politicus nog een puntje aan kan zuigen. Verenigingen die zichzelf graag profileren als maatschappelijk verantwoord en voorbeeldstellend, maar ondertussen geen enkel probleem hebben met een cultuur waarin alcoholgebruik eerder de norm dan de uitzondering is.
En begrijp me niet verkeerd: ik ben niet tegen een biertje op z’n tijd. Integendeel. De derde helft is binnen het amateurvoetbal een instituut waar je voorzichtig mee moet omgaan. Maar als je besluit om een rookverbod in te voeren vanuit het idee van gezondheid en voorbeeldgedrag, wees dan in ieder geval eerlijk genoeg om te erkennen dat je halverwege stopt. Of trek de lijn door. Maar dat laatste is natuurlijk vloeken in de kantine.
Stel je voor: een sportpark waar niet gerookt én niet gedronken wordt. De stilte. De focus op het spel. Het ontbreken van iemand die brallend “scheids, ben je blind of zo?!” roept. Het zou een compleet andere wereld zijn. Misschien zelfs een betere. Maar zeker ook een wereld waarin de kassa een stuk minder vrolijk rinkelt. En daar zit de echte pijn.
Dus blijven we hangen in dit halfslachtige beleid. Roken? Nee, dat doen we hier niet meer. Alcohol? Natuurlijk, neem er nog één. Of twee. Gezellig. Misschien moeten verenigingen gewoon eerlijk zijn en een bord bij de ingang hangen: “Welkom. Roken is hier verboden. Hypocrisie niet.” Dat zou pas verfrissend zijn.