De hysterische microfoonbrigade was weer bezig

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Columns


Er was eens een woordenwisseling. Twee volwassen profvoetballers die elkaar tijdens een wedstrijd iets minder lief toespraken dan bij een kinderfeestje gebruikelijk is. Groot nieuws? Nee. Het gebeurde op een vrijdagavond. Gewoon bij voetbal. Gewoon adrenaline, ego, frustratie en een beetje testosteron dat over de kook raakt.


jopie 2

Maar in medialand is zoiets geen bijzaak meer. Het is klikvoer. Het is voer voor de moreel verontwaardigde microfoonbrigade die na afloop van een wedstrijd met het notitieblokje in de aanslag klaarstaat om van een mug een olifant te fokken.

Neem het akkefietje tussen Joey Veerman en Ivan Perisic tijdens FC Volendam – PSV. Twee spelers die elkaar iets toebijten. Nou en? Wie ooit zelf gevoetbald heeft, op welk niveau dan ook ,weet dat een woordenwisseling net zo bij het spel hoort als een sliding op nat gras. Als je daar niet tegen kunt, moet je gaan badmintonnen. Of dammen. Liefst bij de club “Schuif de steen niet te snel”.

En dan de vragen na afloop. Of de trainer het “zorgelijk” vond. Of hij “maatregelen” overweegt. Of er misschien een straftraining komt omdat zijn team een keer had verloren. Straftraining. Alsof we het over een groepje C1-pupillen hebben dat stiekem cola heeft gedronken in de rust.

Alsof volwassen profs die miljoenen waard zijn en onder een vergrootglas leven, gecorrigeerd moeten worden met rondjes om het veld omdat ze elkaar tijdens een wedstrijd even verbaal in de haren vlogen of een duel verloren .

De trainer in kwestie haalde zijn schouders op. Terecht. Hij zei dat hij vroeger zelf de hele wedstrijd stond te schelden. Dat heet betrokkenheid. Dat heet willen winnen. Dat heet emotie. Het is geen theekransje.

Maar daar staan ze dan. De beroepsjournalisten. De mannen die voor en na de wedstrijd eerst de catering leegroven en daarna gewichtig hun recorder onder een neus duwen. “Wat vond u van de woordenwisseling?” Alsof ze zojuist een diplomatiek incident tussen twee kernmachten hebben meegemaakt.

Het probleem is niet dat ze vragen stellen. Het probleem is dat ze vaak hele domme vragen stellen. Een woordenwisseling in een voetbalwedstrijd is geen nieuws. Het is achtergrondruis. Het gebeurt duizend keer per weekend. In de Eredivisie, in de kelderklasse, op het pleintje. Spelers corrigeren elkaar. Spelers schelden elkaar uit. Spelers reageren hun frustratie af. Dat is geen crisis. Dat is competitie.

Maar nee. In het tijdperk van de opgeklopte verontwaardiging moet alles uitvergroot worden. Elk handgebaar is een rel. Elke frons is een conflict. Elke discussie is een breuk in de kleedkamer. En als die breuk er niet is, dan wordt hij er wel bij gefantaseerd. “Overwoog u een straftraining?”

Dat is geen vraag. Dat is een uitnodiging tot sensatie. Een poging om een kop te forceren. Een lokkertje voor de maandagmorgenanalyse waarin “de sfeer onder druk staat”.

Het ergste is: veel van die vragen worden gesteld door mensen die zelf nooit verder zijn gekomen dan een verplichte gymles in klas drie. Die nog nooit een tackle hebben ingezet, nooit met verzuring in hun benen een duel hebben uitgevochten, nooit in de hitte van de strijd een ploeggenoot hebben toegesnauwd dat hij zijn man moest volgen. Maar ze weten het allemaal beter. Vanaf hun klapstoeltje op de perstribune analyseren ze karakter, leiderschap en groepsdynamiek op basis van één verhitte minuut. Natuurlijk, PSV zal niet zijn beste wedstrijd hebben gespeeld. Ze verloren. Dat gebeurt. Ook topclubs verliezen. Dat heet sport. Maar verliezen is geen nationaal trauma. Het is geen aanleiding voor strafkampen en publieke biechten.

Waarom zouden ze in Eindhoven in paniek raken? Omdat twee spelers elkaar even de waarheid zeggen? Omdat de perfecte harmonie van buitenaf geschonden lijkt?

Voetbal is geen zangkoor. Het is geen bedrijfstraining met vertrouwensoefeningen en complimentenrondes. Het is een spel waarin ego’s botsen, waarin karakters schuren en waarin soms vonken overslaan. Juist dat maakt het echt.

Ik heb zelf meer dan duizend mensen mogen interviewen voor regionale kranten en mijn eigen platform. En ja, er zaten mindere gesprekken tussen. Soms zat je mis. Soms was een vraag niet scherp genoeg. Maar één ding probeerde ik altijd te vermijden: vragen stellen die alleen maar bedoeld zijn om olie op een niet-bestaand vuur te gooien. Een journalist hoort, dat is mijn mening, te duiden, niet te stoken. Te analyseren, niet te insinueren. Te begrijpen wat hij ziet, in plaats van er een soap van te maken.

Maar in de huidige sportjournalistiek lijkt de honger naar relletjes groter dan de honger naar inzicht. Het gaat niet meer om tactiek, om positionering, om waarom een middenveld werd overlopen of een verdediging verkeerd stond. Nee, het gaat om blikken. Om gebaren. Om wie er na afloop als eerste naar binnen liep.

Misschien moeten sommige journalisten zichzelf eens een straftraining geven. Tien rondjes om de eigen beroepsethiek. Twintig herhalingen van de vraag: “Is dit echt relevant?” En daarna een cooling-down in de spiegel.

Want het gemak waarmee een volstrekt normale woordenwisseling wordt opgeblazen tot een vermeende crisis, zegt meer over de staat van de sportjournalistiek dan over de staat van een voetbalteam.

Een voetbalwedstrijd is emotie. Een woordenwisseling is emotie. Dat is geen nieuws, dat is natuurkunde. Wie daar een schandaal van wil maken, moet vooral doorgaan. Maar verwacht niet dat de rest van voetballend Nederland mee huilt.

Soms is een woordenwisseling gewoon… een woordenwisseling.

En een straftraining... de grootste onzin!!